Bruggen slaan tussen kleine scholen

Geschreven door Loes Ypma op 30 maart 2013

De Partij van de Arbeid vindt dat kleine sterke samenwerkende scholen van onschatbare waarde zijn. Vijf zaken zijn belangrijk: kwaliteit, leefbaarheid, regioplan, bekostiging op basis van leerlingdichtheid met een premie voor samenwerking en maatwerk/experimenten. Sterke kleine scholen hebben onderwijstijgers voor de klas.

Zoals de juf die ik vorige week sprak, die vol passie kan vertellen over de school waar zij werkt, met 42 leerlingen in een dorp met 500 inwoners. Het is best wel hard werken, vertelt ze, maar je krijgt er zoveel voor terug. De kinderen zijn heel tolerant, ook naar de zorgleerlingen in de klas, ze leren omgaan met verschillen. Er wordt niet gepest op haar school en de juf probeert ieder kind het beste uit zichzelf te laten halen. De school krijgt een prima beoordeling van de inspectie en de juf straalt als ze over haar school praat. Het enige wat ze jammer vindt is dat de helft van het dorp naar een christelijke school gaat twee kilometer verderop.

De juf droomt ervan dat de twee scholen gaan samenwerken. Het valt prima te organiseren om dagelijks met een gezamenlijke opening te beginnen die recht doet aan de verschillende achtergronden. De kinderen zouden kunnen kiezen tussen bijbelkennis en humanistisch vormend onderwijs. Ze kunnen alleen niet christelijk leren rekenen, maar is dat nu zo erg?

In een gemeente verderop wordt er hard aan gewerkt twee dorpsscholen overeind te houden. De openbare en de christelijke scholenkoepel zijn met elkaar in gesprek om in twee dorpen hun scholen te laten samenwerken. In beide situaties met afspraken over omgaan met identiteit, inzet van personeel, omgaan met medezeggenschap en met een terugkeerregeling voor het personeel. Maar de deal is nog niet rond en wordt belemmerd door financiële prikkels voor kleine scholen en wettelijke belemmeringen als de fusietoets. Dat wil ik graag vanuit Den Haag veranderen.

De vijf zaken die van belang zijn:

1. De kwaliteit staat altijd voor op. Ieder kind verdient goed onderwijs! Alle scholen moeten beoordeeld worden op de kwaliteit en zeer zwakke scholen moeten 1 jaar de kans krijgen zichzelf te verbeteren en anders sluiten. Kleine scholen zijn niet per definitie slechte scholen en we moeten geen goede scholen sluiten op basis van een keiharde grens van 100 leerlingen.

2. Een school is meer dan een onderwijsinstelling, is ook vaak een ontmoetingscentrum, zeker als het een integraal kindcentrum is. Leefbaarheid is belangrijk en net als de supermarkt en de pinautomaat die verdwijnen, is het sluiten van de laatste dorpsschool slecht voor de leefbaarheid. Maar wij vinden ook dat je geen zeer zwakke scholen moet openhouden in verband met de leefbaarheid. Kwaliteit staat voorop.

3. Het zou absoluut goed zijn als regio’s een regioplan schrijven, waarin scholen en gemeenten voor uitkijken over een periode van zeker vier jaar qua leerling ontwikkelingen. Het is goed om hierover met schoolbesturen en met ouders in gesprek te gaan. Er zijn grote regionale verschillen. In Zeeland gaat het vaak om de laatste school in het dorp. In Friesland zie je soms juist dat de kleine christelijke en openbare school naast elkaar staan. Deze scholen moeten meer gaan samenwerken en zouden bijvoorbeeld binnen één gebouw kinderen en ouders kunnen laten kiezen voor verschillende stromingen.

4. De kleine scholentoeslag zouden wij willen afschaffen, maar de opbrengst hiervan investeren in twee dingen: a) ten eerste in de kwaliteit van onderwijs in krimpregio's door de bekostiging aan te passen aan leerlingdichtheid. b) ten tweede een krachtenbundeling bevorderen door een extra financiële premie voor scholen die over de grenzen van denominaties heen samenwerken.

5. Kwaliteit moet altijd voor op staan en maatwerk mogelijk zijn. Maatwerk en experimenten zoals in Zeeland zouden uitgebreid de ruimte moeten krijgen en veranderingen op dit gebied moeten de tijd krijgen. Een (niet op basis van kwaliteit onderbouwde) harde grens leggen bij 100 leerlingen gaat de PvdA te ver. Sommige scholen kunnen kwaliteit bieden met 42 leerlingen. En voor passend onderwijs kan een kleinere school juist een uitkomst zijn.

Maar de grootste kans zien wij in samenwerking over grenzen van de zogenoemde denominatie heen. In regionale actieplannen zou over de richtingen heen gewerkt moeten worden, in het belang van onze kinderen en de toekomst van hun onderwijs. Dit soort samenwerking moet vanuit wetten en financiering zo veel mogelijk bevorderden.

In kleinere dorpen zijn er nu vaak twee scholen met tussen de 30/40 en de 60 leerlingen, ze redden het afzonderlijk niet en samenwerking is noodzakelijk om een dorpsschool overeind te houden. Op de werkvloer ziet iedereen dat dit moet kunnen als er wordt afgesproken recht te doen aan de achtergrond en identiteit maar voor al aan de onderwijsvraag van de kinderen in het dorp. De juffen en de meesters gunnen echt alle kinderen het beste onderwijs en willen hier graag hun best voor doen door binnen de muren van 1 school keuzevrijheid aan te bieden.

De voetbalclub is al gaan samenwerken over de grenzen van de verzuiling heen. Onderwijsmensen zijn van natura bruggenbouwers, dus dit moeten we in het onderwijs toch ook kunnen?

 


Deel dit artikel