Armoedesignalement

ma 19 december 2011
Het Sociaal Cultureel Planbureau heft onlangs het Armoedesignalement 2011 uitgebracht.
In zo’n rapport is het van crucial belang om te definieëen wat armoede is. Het SCP hanteert daarvoor twee categorieën, die elkaar deels overlappen.
 
Beide criteria duiden erop dat in 2010, het laatste jaar waarvoor op waarneming
berustende cijfers beschikbaar zijn, de armoede niet is afgenomen.
Van de 6,9 miljoen huishoudens in 2010 had 7,7% (529.000 huishoudens) een inkomen onder de lage-inkomensgrens. Dit percentage was in 2009 net zo hoog. Ramingen wijzen op een stijging tot 8,1% in 2011 en tot 8,5% in 2012. Hiermee blijft het aandeel huishoudens met een laag inkomen onder het niveau van de jaren 2000-2006, toen het schommelde tussen 8,8% en 11,8%.
 
Het maakt veel uit of er gedurende korte tijd sprake is van een laag inkomen of dat deze inkomenssituatie langere tijd achtereen bestaat. Zo moesten in 2010 ruim 150.000 huishoudens al vier jaar of langer rondkomen van een inkomen onder de lage-inkomensgrens. Dit komt neer op 2,4% van alle huishoudens en betekent een lichte daling ten opzichte van 2009, toen nog 2,6% van de huishoudens langdurig met armoede te kampen had.
Het aantal personen dat deel uitmaakte van een huishouden met een laag inkomen bleef in 2010 onveranderd (1.091.000; 7,0%), terwijl het aandeel personen dat langdurig van een laag inkomen moest rondkomen licht daalde van van van 2,3% naar 2,2% (309.000).
 
Risicogroepen bij huishoudens
 
Sommige groepen lopen meer risico op armoede dan andere. Eenoudergezinnen met uitsluitend minderjarige kinderen kampten in 2010 met 26% relatief het vaakst met armoede. In voorgaande jaren liepen deze eenoudergezinnen eveneens telkens het meeste risico, maar er is sprake van een duidelijk dalende trend. Ook alleenstaanden tot 65 jaar (17%) en niet-westerse huishoudens (bijna 23%) waren naar verhouding over vertegenwoordigd in de groep huishoudens met een inkomen onder de lageinkomensgrens.
 
In 2010 vormden woonlasten en onderhoud aan woning en tuin met 29% gemiddeld de grootste uitgavenpost van huishoudens met een laag inkomen. Ruim een op de drie van deze huishoudens ervaart de woonkosten dan ook als een zware financiële last. Andere grote posten waren voeding (15%), verkeer en vervoer (14%) en ontwikkeling en ontspanning (13%). Het minst werd uitgegeven aan kleding en schoeisel (6%) en inventaris (4%).
Hoewel huishoudens met een hoger inkomen gemiddeld meer uitgeven, verschilde de rangorde van hun uitgavenposten vrijwel niet van die van de huishoudens met een laag inkomen.
Het risico op armoede is zeer groot als kinderen in een bijstandsgezin leven (54% in 2010), al nam deze groep de afgelopen jaren niet sterk in omvang toe. Dat laatste is wel het geval bij kinderen uit huishoudens waar inkomsten uit de eigen onderneming de voornaamste inkomensbron zijn; van die groep was in 2010 14% arm.
 
 

Terug