Kloosterlijke Waarde

vr 2 april 2010
Hoofd- en subvragen
De hoofdvraag, in hoeverre kan er bezuinigd worden op het gemeentelijk subsidie voor het Klooster, is verdeeld in drie subvragen.
• Hoe verhoudt de bedrijfsvoering (baten en lasten) van Het Klooster zich, zowel in de kostenkant als de batenkant, ten opzichte van vergelijkbare instellingen in Nederland?
• Wat is de inhoudelijke kracht van Het Klooster en waar zitten de kansen voor de toekomst?
• Biedt het toepassen van het systeem van profijtbeginsel kansen voor Het Klooster?
 
Antwoorden
Uit het BMC-onderzoek onderzoek komt in antwoord op de gestelde vragen het volgende beeld naar voren.
Er is in de gemeente Woerden sprake van relatief lage bestedingen in het  culturele domein, waardoor er geen rek zit in de gemeentelijke subsidies voor cultuur. Dit betekent dat indien noodgedwongen bezuinigen op cultuur onvermijdelijk zijn, de gemeente fundamentele keuzes moet maken. De vraag die dan centraal staat is welke instellingen het meest bijdragen aan het realiseren van gemeentelijke doelen en dus blijven vallen onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid. Deze 'voorkeurs'¬instellingen moeten vervolgens wel een verantwoorde subsidiebasis hebben om een goed programma te bieden om zich als cultureel ondernemer op de markt te kunnen profileren teneinde eigen inkomsten te genereren.
Op basis van het onderzoek stelt BMC dat een bezuiniging op Het Klooster bij een gelijkblijvend takenpakket niet tot de mogelijkheden behoort. Verlaging van het huidige subsidieniveau zal binnen Het Klooster leiden tot vermindering van activiteiten en bijbehorende formatie. Als dat niet gefaseerd kan gebeuren op basis van natuurlijk verloop, zal deze vermindering van formatie gepaard gaan met frictiekosten.
 
profijtbeginsel
Toepassing van het profijtbeginsel in de zin van toenemende inkomsten vanuit de markt achten de onderzoekers niet opportuun. Zo biedt verhoging van de tarieven voor het theater geen soelaas omdat deze worden afgeroomd door de producenten. Ten aanzien van de tarieven voor het kunstencentrum worden de prijselastische mogelijkheden reeds maximaal benut en moet worden gewaakt voor vraaguitval en daarmee een verdere verschraling van de financiën van Het Klooster. Van de mogelijkheid om sponsoring, fondsen en projectbijdragen te werven wordt door Het Klooster reeds in ruime mate gebruikgemaakt.
Bezuinigingen zijn wat BMC betreft alleen mogelijk door te besluiten om de subsidie aan bepaalde culturele instellingen of activiteiten te beëindigen dan wel door samenwerking te bevorderen.
 
Het Klooster doet het gewoon hartstikke goed
 
De keuze om een bepaalde culturele voorziening aan te bieden c.q. te behouden voor Woerden is vooral een politieke keuze. In dit onderzoek hebben wij aangetoond dat Het Klooster een ondernemende instelling is, die het in vergelijking met andere instellingen in Nederland goed doet. Ook heeft Het Klooster inhoudelijke en financiële voordelen door de combinatie van theater en kunstencentrum. Het verhogen van de eigen inkomsten behoort gezien de goede score van Het Klooster in de benchmark en het risico van vraaguitval niet tot de mogelijkheden. Het beëindigen van de subsidie vanwege slecht functioneren of een beperkt bereik is dan ook niet aan de orde.
 
Maar wat dan?
BMC profeteert dat de mogelijkheden voor een besparing vooral liggen op het terrein van samenwerking, zowel inhoudelijk als organisatorisch. Winst is er in eerste instantie te halen als de mogelijkheden van de bestaande culturele infrastructuur Het Klooster, het Stadsmuseum en de Bibliotheek beter benut gaan worden. Winst kan er behald worden in tweede instantoe door besparing van dubbele bureaulasten.
Een derde mogelijkheid ligt in het versterken van de regionale samenwerking. Het aanstellen van een regionaal cultuur ambtenaar kan daartoe de aanzet zijn.
 
Aanbevelingen.
  1. Hanteer geen kaasschaafmethode op de culturele budgetten, maar maak ene heldere keuze;
  2. Investeer in een betere samenhang tussen de verschillende gemeentelijke beleidsvelden met als inzet het optimaal benutten van culturele voorzieningen;
  3. Zet in op het versterken van de samenwerking binnen de culturele sector;
  4. Zorg als gemeente voor een goed relatiebeheer met de culturele inbstellingen.
 
Ter afsluiting.
De laatste alinea's uit het BMC-rapport zijn de moeite van het afdrukken meer dan waard. Hier komt wat een hartenkreet genoemd kan worden:
Uit divers onderzoek blijkt hoe belangrijk cultuur is voor een aantrekkelijke woonomgeving en een gunstig vestigingsklimaat. In steden waar mensen graag willen wonen, blijkt ook de werkgelegenheid toe te nemen. Aan de aantrekkelijke woonsteden van Nederland gaat niet alleen de bevolkingskrimp voorbij, ze doen het vaak ook economisch beter. Tot deze conclusie komt econoom Gerard Marlet in zijn proefschrift De aantrekkelijk stad waarop hij eind 2009 is gepromoveerd.
Ook als mensen zelf geen gebruik maken van de culturele voorzieningen, waarderen burgers de aanwezigheid van cultureel erfgoed en culturele voorzieningen als theaters hoog in het woongenoegen. De culturele infrastructuur heeft daardoor een directe invloed op de samenstelling van de bevolking, trekt meer hoogopgeleiden aan en draagt bij aan de werkgelegenheid.
Wij realiseren ons voor welke opgave de gemeente Woerden staat, toch willen we vanwege de geschetste risico's de politiek op het hart drukken zorgvuldig en weloverwogen om te gaan met het bezuinigen op cultuur.
 
 

Terug